Je wordt met een bonkend hoofd wakker en je kijkt rond. De kamer is ongeveer acht vierkante meter groot met een deur in de noordelijke en een deur in de zuidelijke muur. Ze hebben je in de zuidwestelijke hoek gelegd. Midden in de kamer staan bewegingloos vier figuren. Het lijken menselijke wezens. Hun huid heeft een groen-grijze kleur. Ze zijn gekleed in lompen en ze staren met een lege blik naar het plafond. Een heeft een knuppel, een ander een zeis, een derde een bijl en de vierde heeft een houweel. Ze doen net of je er niet bent.
Overal in de kamer staan boerenwapens: een greep, sikkels, spaden, etc. Ook zie je een paar tonnen en een paar schilden. In de noordoostelijke hoek staat een mensfiguur met een zwaard in de ene en een schild in de andere hand. Je strijkt met je hand langs je hoofd, maar tot je opluchting voel je geen bloed. Maar terwijl je deze beweging maakt, slaan de vreemde wezens hun ogen neer en kijken je aan.
Wat doe je?
Je probeert een gesprek met ze aan te knopen.
Je springt op en valt ze aan met je zwaard.
Je sprint naar de zuidelijke deur om weg te komen.