Je tuurt het duister in en je ziet slijmerige donkere wanden. Er staan waterplassen op de bodem. Er is een koude luchtstroom. Je doet je lantaarn aan en je stapt voorzichtig de grot binnen. Spinnewebben kleven tegen je gezicht. Je hoort rennende pootjes, ratten hoogstwaarschijnlijk. Je gaat verder de spelonk in. Na een paar meter kom je bij een splitsing.
Wat doe je?
Je gaat naar het westen.
Je gaat naar het oosten.