Raymond E. Feist

Magiër

ISBN 90 290 5550 2

Hoofdstuk 1

Storm

De storm was uitgewoed.
Puc danste langs de rotswand. Zijn voeten vonden amper houvast terwijl hij zijn weg vond langs de poelen die het tij had nagelaten. Zijn donkere ogen schoten heen en weer, turend in elke poel aan de voet van de klif, op zoek naar schaaldieren, de schaduw ingejaagd door de kort geleden gepasseerde storm. Zijn jonge spieren bundelden zich onder zijn dunne hemd toen hij de buidel met zandkruipers, rotsklauwen en krabben, de vangst uit deze watertuin, verschoof.
De middagzon deed het rond hem opspattende zeewater fonkelen, de westenwind woei door zijn zongebleekte bruine haar. Puc zette zijn buidel neer, overtuigde zich ervan dat hij goed dicht zat en ging zitten op het zand. De buidel was nog niet vol, maar Puc liet zich het vooruitzicht van een uurtje rust welgevallen. Megar, de kok, zou zich niet druk maken over de tijd zo lang de buidel maar redelijk gevuld zou zijn. Met zijn rug tegen een rotsblok, zat Puc al snel te dommelen in de warme zon.
Uren later werd hij gewekt door een koele, natte douche. Met een schok deed hij zijn ogen open, omdat hij wist dat hij veel te lang had geslapen. Westwaarts, boven de zee, vormden zich zwarte donderkoppen boven de silhouetten van de Zes Zusters, de eilandjes aan de horizon. De duistere, stuwende wolken, die een sombere regensluier met zich meesleepten, vormden de aankon diging van een nieuwe plotselinge, vroegzomerse storm, karak- teristiek voor het kustgebied. In het zuiden beukten de golven op de steile rotswanden van Zeemans Leed, waarvan de piek hoog ten hemel rees. Achter de branding vormden zich schuimkoppen, teken van de snel naderende storm. Puc wist zich in gevaar, want in een zomerstorm kon je makkelijk verdrinken op de stranden en, bij zeer hevige storm, zelfs op de achter- liggende laagvlakte.
Hij pakte zijn buidel op en vertrok noordwaarts, richting kasteel. Terwijl hij zijn weg zocht tussen de poelen, voelde hij de koele wind kouder en natter worden. Het daglicht werd gebroken door een netwerk van schaduwen toen de eerste wolken voor de zon dreven, heldere kleuren vervagend naar grauwe tinten. Boven de zee flitsten bliksemschichten tegen de donkere achtergrond van het wolkendek en de aanzwellende donderslagen overstemden het geweld van de golven. Toen hij bij een vlak stuk strand kwam, verhoogde hij zijn tempo. De storm naderde sneller dan hij voor mogelijk had gehouden en dreef de vloed voor zich uit. Tegen de tijd dat hij weer een stuk grond met vloedmeertjes bereikte, was er nauwelijks nog tien voet droog zand tussen de branding en het klif.
Zo snel als nog veilig was, rende Puc over de rotsbodem, waarbij hij tweemaal bijna uitgleed. Toen hij het volgende stuk strand bereikte, schatte hij zijn sprong van de laatste rots verkeerd in en kwam slecht neer. Hij viel op het zand en greep naar zijn enkel. Alsof ze hierop hadden gewacht, stormden de golven voorwaarts om hem te bedelven. Hij greep om zich heen en voelde zijn buidel wegdrijven. Panisch ernaar graaiend, sprong Puc overeind, maar hij ging prompt door zijn enkel. Water zwel gend ging hij kopje onder. Hoestend en sputterend bracht hij zijn hoofd boven water en probeerde op te staan, maar een tweede golf, groter dan de vorige, sloeg hem tegen de borst zodat hij achterover viel. Puc was spelend in de golven opgegroeid en een geoefend zwemmer, maar de pijn in zijn enkel en het geweld van de golven brachten hem aan de grens van paniek. Hij vocht ertegen en kwam overeind om adem te halen toen de golf zich terugtrok. Half zwemmend, half kruipend, probeerde hij de rotswand te bereiken, omdat hij wist dat het water daar maar een paar duim diep zou zijn.
Puc bereikte het klif en leunde er tegenaan, zijn gewonde enkel zoveel mogelijk ontziend. Hij schuifelde langs de rotswand terwijl iedere golf het water hoger bracht. Toen Puc eindelijk een plek bereikte waar hij naar boven kon, kolkte het water rond zijn middel en moest hij al zijn krachten aanwenden om zich op het pad te hijsen. Daar bleef hij een moment liggen hijgen en kroop toen het pad op, onwillig om zijn gekwetste enkel aan de onregelmatige ondergrond bloot te stellen.
De eerste regendruppels vielen terwijl hij voortkroop, knieën en schenen kneuzend op de rotsbodem, tot hij het hooggelegen gras bereikte. Hijgend, uitgeput door de inspanningen van de klim, liet Puc zich vallen. De enkele druppels groeiden uit tot een lichte, maar stevige regenval.
Toen hij op adem was gekomen, kwam Puc overeind om zijn gezwollen enkel te inspecteren. Deze voelde pijnlijk aan, maar Puc kalmeerde toen bleek dat hij hem kon bewegen: er was niets gebroken. Hij zou de hele weg terug moeten strompelen, maar met de dreiging te verdrinken achter de rug, voelde hij zich redelijk opgelucht.
Puc zou een doorweekte, rillende stakker zijn tegen de tijd dat hij de stad bereikte. Daar zou hij onderdak moeten zoeken, want de kasteelpoort zou dan al gesloten zijn en met zijn pijnlijke enkel zou hij nooit over de muur achter de stallen kunnen klimmen. Bovendien, als hij wachtte tot de volgende dag en dan de veste binnensloop, kon hij van Megar een hartig woordje verwachten, maar als hij bij zijn klauterpartij werd gesnapt, zou zwaardmeester Fannon of stalmeester Algon beslist meer voor hem in petto hebben dan een hartig woordje alleen.
Terwijl hij uitrustte, begon het pas echt goed te regenen en werd de lucht donkerder naarmate de late middagzon meer door donderwolken aan het oog onttrokken werd. Zijn opluchting maakte plaats voor boosheid op zichzelf omdat hij de buidel met schaaldieren had verloren. Zijn ongenoegen verdubbelde toen hij bedacht hoe stom het was geweest om in slaap te vallen. Als hij wakker was gebleven, had hij op zijn gemak terug kunnen gaan, had hij zijn enkel niet verstuikt en had hij nog tijd gehad om in de rivierbedding achter de hooglanden te zoeken naar de gladde stenen waar hij zoveel waarde aan hechtte, omdat ze zich zo goed lieten slingeren. Nu had hij geen stenen en zou het minstens een week duren voordat hij kon teruggaan. Als Megar al niet een andere jongen zou sturen, wat voor de hand lag nu hij met lege handen terugkwam.
Pucs aandacht verplaatste zich naar het ongemak van de op hem neerdalende regen en besloot dat het tijd was om verder te gaan. Hij stond op en probeerde zijn enkel. Die protesteerde tegen deze behandeling, maar hij kon erop lopen. Strompelend ging hij over het gras naar de plaats waar hij zijn spullen had achtergelaten en pakte zijn rugzak, staf en slinger. Hij vloekte, zoals hij de soldaten in de veste had horen doen, toen hij zag dat zijn rugzak was stukgescheurd en dat zijn brood en kaas waren verdwenen. Wasberen, of misschien zandhagedissen, dacht hij. Hij wierp de nu nutteloze zak weg, zich verbazend over zoveel tegenslag. Met een diepe zucht leunde hij op zijn staf en begon aan de wandeling door de lage heuvels die de hooglanden scheidden van de weg. Er stonden groepjes kleine bomen verspreid door het landschap en Puc vond het jammer dat er niet meer beschutting in de buurt was. Als hij naar de stad zou sjokken, zou hij niet veel natter worden dan wanneer hij onder een boom bleef schuilen.
De wind zwol aan en Puc voelde de kou aan zijn natte rug knagen. Hij huiverde en versnelde zijn pas zoveel hij kon. De kleine bomen bogen in de wind en Puc liep alsof hij door een enorme hand werd voortgeduwd. Bij de weg aangekomen sloeg hij af naar het noorden. Voortdurend klonk het griezelige geluid van het uitgestrekte woud in het oosten. De wind, gierend door de takken van de eeuwenoude eiken, maakte de toch al onheil spellende aanblik er niet beter op. De duistere open plaatsen in het woud waren waarschijnlijk niet gevaarlijker dan de Koningsweg, maar bij de gedachte aan de verhalen over bandieten en ander, minder menselijk schorriemorrie voelde Puc zijn nekharen recht overeind gaan staan.
Aan de overkant van de Koningsweg vond Puc een beetje beschutting in de greppel die erlangs liep. De wind zwol nog steeds aan en de regen sloeg in zijn ogen, zodat de tranen hem over de toch al natte wangen liepen. Een plotselinge windvlaag bracht hem een moment uit zijn evenwicht. Hij moest oppassen waar hij liep om te voorkomen dat hij door een stap in een onverwacht diepe plas zou struikelen.
Bijna een uur lang ploeterde hij zo voort door de immer aanzwellende storm. De weg draaide naar het noordwesten, waardoor hij de briesende wind bijna recht in het gezicht kreeg. Puc zette zich schrap, zijn hemd achter hem klapperend in de wind. Hij slikte om de in hem opwellende verstikkende paniek de baas te blijven. Hij wist dat hij in gevaar was, want de razende storm nam toe tot een kracht die abnormaal was voor de tijd van het jaar. Grote bliksemschichten verlichtten het donkere landschap, tekenden de bomen en de weg een kort ogenbik af in scherp, helder wit en ondoordringbaar zwart. Elke keer bracht het verblindende beeld op zijn netvlies, zwart en wit omgekeerd, hem in de war. De enorme donderslagen boven zijn hoofd voelde hij door zijn lichaam dreunen. Inmiddels was zijn angst voor de storm groter dan die voor de verbeelde rovers en gnomen en hij besloot tussen de bomen langs de weg te lopen. De stammen zouden de wind een weinig tegenhouden.
Na een paar stappen richting bosrand deed een krakend geluid hem stilstaan. In het duister van de storm kon hij amper de contouren van een zwart everzwijn ontwaren toen het uit het struikgewas te voorschijn kwam. De beer tuimelde de struik uit, verloor zijn evenwicht en krabbelde overeind, een paar el van hem vandaan. Puc kon het beest nu duidelijk zien staan, zoals het hem stond op te nemen, de kop zwaaiend van links naar rechts. Twee grote slagtanden, druipend van de regen, glinsterden in de schemering. Met van angst uitpuilende ogen stond het zwijn in de grond te krabben. Everzwijnen waren in het gunstigste geval humeurig en vermeden mensen. Dit dier was in paniek geraakt door de storm en Puc wist dat het zwijn hem zwaar zou kunnen verwonden en zelfs doden als het hem zou aanvallen.
Stokstijf stilstaand bereidde Puc zich voor om met zijn staf uit te halen, maar hij hoopte dat het zwijn weer het bos in zou gaan. De beer stak zijn neus in de wind om de lucht van de jongen op te vangen. Zijn roze oogjes leken te gloeien terwijl hij stond te trillen van besluiteloosheid. Een geluid deed hem naar het bos wenden, toen gooide hij de kop om en viel aan.
Puc zwaaide met zijn stok en sloeg het zwijn tegen de zijkant van zijn kop, waardoor die werd afgewend. Zijwaarts wegglijdend in de modder sloeg het zwijn tegen Pucs benen. Hij viel toen het zwijn voorbij glibberde. Op de grond liggend zag Puc de beer zich omdraaien om opnieuw aan te vallen. Ineens was het beest bij hem en Puc had de tijd niet om op te staan. Hij stak met de staf in een vergeefse poging het beest opnieuw te keren. De beer dook onder de staf door en Puc probeerde weg te rollen, maar er viel iets zwaars op hem. Puc bedekte zijn gezicht met zijn handen, zijn armen voor zijn borst, in de verwachting te worden gespiesd.
Een moment later besefte hij dat het varken niet bewoog. Hij haalde zijn handen voor zijn gezicht weg en zag het beest over zijn onderbenen liggen. Er stak een pijl met zwarte veren uit zijn zij.
Puc keek naar de bomen. Aan de bosrand stond een in bruin leer geklede man met een boog die bijna net zo lang was als hijzelf. Snel borg de man het kostbare wapen op in een hoes van wasdoek, en toen het tegen de regen beschermd was, liep de man naar de jongen en het beest.
De kap van zijn mantel verborg zijn gezicht. Hij knielde naast Puc neer en schreeuwde boven het gehuil van de wind uit: `Alles goed, knul?' Met gemak tilde hij de dode ever van Pucs benen. `Niks gebroken?'
`Ik denk het niet,' riep Puc terug terwijl hij zichzelf betastte. Zijn rechterzij deed flink zeer en ook zijn benen voelden beurs aan. Zijn enkel deed nog steeds pijn en hij had het idee dat alles hem tegenzat die dag, maar niets was gebroken of onherstelbaar beschadigd.
Grote, vlezige handen tilden hem overeind. `Hier,' commandeerde de man en gaf hem zijn staf en de boog aan. Puc pakte ze vast en de vreemdeling begon met een groot jagersmes de ingewanden uit het varken te snijden. Toen hij daarmee klaar was, draaide hij zich om naar Puc. `Kom maar, knul, dan kun je bij mijn meester en mij schuilen. 't Is niet ver, maar we moeten wel opschieten. De storm wordt nog wel heviger voor hij voorbij is. Kun je lopen?'
Puc deed een onzekere stap en knikte. Zonder een woord wierp de man de beer over zijn schouder en pakte zijn boog. `Kom,' zei hij en liep het bos in. Hij liep stevig door en Puc moest zijn best doen om hem bij te houden.
Het woud temperde het geweld van de storm slechts weinig, zodat praten onmogelijk was. Een bliksemstraal verlichtte de omgeving even en Puc ving een glimp op van 's mans gezicht. Puc probeerde zich te herinneren of hij de vreemdeling eerder had gezien. Hij zag eruit als de jagers en houtvesters die in het woud bij Schreiborg woonden: breedgeschouderd, lang, stevig gebouwd. Hij had donkere haren, een zwarte baard en het ruwe, verweerde voorkomen van iemand die gewend is het grootste deel van zijn tijd buiten door te brengen.
Een paar verbeeldingsvolle momenten vroeg de jongen zich af of hij misschien bij een roversbende hoorde, die zich diep in het woud verscholen hield. Hij liet het idee echter varen, want geen enkele rover zou zich bemoeien met een jongen uit de veste die duidelijk geen cent op zak had.
Maar de man had gesproken over zijn meester, dus vermoedde Puc dat hij een leenman was, iemand die op het grondgebied van een landeigenaar woonde. Hij zou dan bij de eigenaar in dienst zijn, maar niet aan hem gebonden zoals een horige. Een leenman was een vrijgeborene, die een deel van zijn oogst of kudde afstond in ruil voor het gebruik van grond. Hij moest wel een vrijgeborene zijn. Een horige zou nooit een langboog mogen dragen, want dat traditionele wapen was veel te duur – en te gevaarlijk. Toch kon Puc zich niets herinneren van landerijen in het woud. Het was hem een raadsel, maar de tol van de beproevingen van die dag deed zijn nieuwsgierigheid snel bekoelen.

Voor zijn gevoel hadden ze al uren gelopen toen de man een zeer dicht begroeid gebied binnenging. Puc raakte hem bijna kwijt in de duisternis. De zon was al geruime tijd onder en daarmee was ook het weinige licht, dat de stormwolken hadden doorgelaten, verdwenen. Hij volgde de man meer op het geluid van zijn voetstappen en een gewaarzijn van diens aanwezigheid dan op zicht. Puc voelde dat hij over een bospad liep omdat hij geen kreupelhout of losliggend gesteente onder zijn voeten voelde. Een pad dat bij vol daglicht moeilijk te vinden zou zijn, laat staan in het donker, tenzij het bekend terrein was.
Spoedig bereikten ze een open plaats met in het midden een klein stenen huisje. Door een enkel raam scheen licht naar buiten en uit de schoorsteen kwam rook. Ze liepen naar het huisje en Puc verbaasde zich erover dat de storm op deze plek zo mild was. Eenmaal voor de deur stapte de man opzij en zei: `Ga maar naar binnen, knul. Ik moet het varken schoonmaken.'
Zwijgzaam knikkend deed Puc de houten deur open ging naar binnen.
`Doe die deur dicht, joh! Ik word nog doodziek van verkoudheid!'
Puc gehoorzaamde onmiddellijk en sloeg de deur harder dicht dan de bedoeling was. Hij draaide zich om en nam de kamer in zich op. Het huisje bestond uit een enkele kleine kamer. Een schoor steen aan de ene kant, met daarvoor een flinke haard. Een vrolijk vuurtje verspreidde een warme gloed. Aan een tafel tegenover de haard zat een zware man in een geel gewaad. Zijn grijze haar en baard bedekten bijna zijn gehele hoofd, op een paar levendige blauwe ogen na, fonkelend in het schijnsel van de haard. Een lange pijp die uit zijn baard stak, verspreidde heldhaftige wolken lichte rook.
Puc kende hem. `Meester Kulgan...' begon hij, want de man was de magiër en raadsman van de hertog, een bekend gezicht in de kasteelveste.
Kulgan keek hem even aan, zei toen met zware stem, vol rollende, krachtige klanken: `Je kent me dus.'
`Ja, meneer. Van het kasteel.'
`Hoe heet je, jongen uit de veste?'
`Puc, meester Kulgan.'
`Nu weet ik het weer.' De magiër zwaaide afwezig met een hand. `Noem me geen meester, Puc, ook al word ik terecht een meester in mijn kunsten genoemd,' zei hij met vrolijke rimpeltjes rond zijn ogen. `Ik ben hoger geboren dan jij, dat is zo, maar niet veel. Kom, er hangt een deken bij het vuur en je bent drijfnat. Hang je kleren te drogen en ga zitten.' Hij wees naar een bankje tegenover hem.
Puc deed als gevraagd, maar hield de magiër de hele tijd in de gaten. Hij hoorde bij de hofhouding van de hertog, maar was en bleef een magiër, bij voorbaat verdacht, over het algemeen in laag aanzien bij het gewone volk. Als er een boer was wiens koe een monsterlijk kalf voortbracht of wiens gewassen werden getroffen door een ziekte, stonden de dorpelingen al gauw klaar om dat toe te schrijven aan het werk van een zich in de buurt schuilhoudende magiër. In nog niet zo lang vervlogen dagen zou Kulgan Schreiborg zijn uitgesmeten, onder een hagel van stenen. De stadsbewoners verdroegen zijn aanwezigheid vanwege zijn positie aan het hof, maar angst had nu eenmaal een lange adem.
Toen zijn kleren te drogen hingen, ging Puc zitten. Hij schrok toen hij over de tafelrand een paar rode ogen naar zich zag kijken. Een geschubde kop rees op boven het tafelblad en nam hem aandachtig op.
Lachend om Pucs ongemak zei Kulgan: `Kom, jongen, Fantus eet je niet op.' Hij legde zijn hand op de kop van het schepsel dat naast hem op het bankje zat en krabde het achter de oogrand. Het diertje sloot de ogen en maakte een zacht, brommend geluid dat wel wat weg had van kattengespin.
Puc deed zijn van verbazing opengevallen mond dicht en vroeg: `Is dat een echte draak, meneer?'
De magiër lachte, een gulle, goedmoedige lach. `Soms denkt hij van wel, jongen. Fantus is een vuurvaraan, verwant aan de draak, maar kleiner van afmeting.' Het beest opende een oog en loerde naar de magiër. `Maar net zo onverschrokken,' voegde Kulgan er snel aan toe en het draakje deed zijn oog weer dicht. Kulgan sprak zacht, op samenzweerderige toon: `Hij is heel slim, dus let op wat je tegen hem zegt. Hij is bijzonder fijngevoelig.'
Puc knikte. `Kan hij ook vuurspugen?' vroeg hij met ogen groot van verwondering. Voor een dertienjarige jongen was zelfs het kleine neefje van een draak ontzagwekkend.
`Als hij een goede bui heeft, kan hij wel een vlammetje of twee braken, maar dat komt nog maar zelden voor. Ik denk dat dat te wijten is aan de overvloedige maaltijden die ik hem voorzet. Hij heeft al in geen jaren hoeven jagen, dus hij is niet meer zo in vorm. Om je de waarheid te zeggen, verwen ik hem schaamteloos.'
Op een of andere manier vond Puc dat een geruststellend idee. Omdat de magiër zijn best deed dit beest, hoe onwerelds dan ook, te verwennen, kwam hij hem menselijker voor, niet meer zo mysterieus. Puc bekeek Fantus aandachtig en bewonderde de gouden gloed die zijn smaragdgroene schubben van het haardvuur kregen. Hij was zo groot als een hond en had een lange, golvende nek. Zijn kop leek op die van een kaaiman. Zijn vleugels lagen gevouwen op zijn rug en de klauwen van zijn voorpoten graaiden doelloos in de lucht terwijl Kulgan hem achter de benige rand van zijn ooglid krabde. Zijn lange staart zwiepte een paar duim boven de vloer heen en weer.
De deur ging open. De grote boogschutter kwam binnen en hield het geslachte zwijn aan een spit voor zich uit. Zonder een woord liep hij naar de haard en plaatste de ever op het vuur. Fantus strekte zijn lange nek om een blik over de tafel te werpen. Zijn gevorkte tong flitste even uit zijn bek toen hij op de grond sprong om met statige tred naar de haard te kuieren. Daar zocht hij een warm plekje bij het vuur en rolde zich op om een tukje te doen voor het eten.
De leenman deed zijn mantel af en hing hem aan een haak naast de deur. `Storm gaat voor zonsopgang liggen, denk ik.' Hij liep weer naar het vuur om een marinade te maken van wijn en kruiden. Puc schrok toen hij een groot litteken op de linkerwang van de man ontwaarde, boosaardig rood verlicht door het haardvuur.
Met zijn pijp wees Kulgan naar de leenman. `Deze zwijgzame man hier kennende, zul je nog niet fatsoenlijk kennis met hem hebben gemaakt. Briaer, dit is Puc, uit het kasteel Schreiborg.'
Briaer knikte even en richtte zijn aandacht weer op het zwijn.
Puc knikte terug, maar voor Briaer te laat om het te kunnen zien. `Ik heb er nog helemaal niet aan gedacht u te bedanken dat u me van dat zwijn heeft gered.'
`Je hoeft me niet te bedanken, knul,' antwoordde Briaer. `Als ik het beest niet zou hebben laten schrikken, had het je vast niet aangevallen.' Hij liet de ever alleen en liep naar een ander deel van de kamer, pakte wat bruin deeg uit een met een doek afgedekte emmer en sloeg aan het kneden.
`Maar, meneer,' zei Puc tegen Kulgan, `het was zijn pijl die het zwijn doodde. Dus ik ben blij dat hij het dier volgde.'
Kulgan begon te lachen. `Het arme schepsel, onze meest welkome gast aan tafel, is evengoed het slachtoffer van de omstandigheden als jij.'
Puc was verbluft. `Dat snap ik niet, meneer.'
Kulgan stond op, pakte een voorwerp van de bovenste plank van zijn boekenkast en zette het voor de jongen op tafel. Het was in een doek van donkerblauw fluweel gewikkeld en Puc begreep meteen dat het een zeer waardevol voorwerp moest zijn, als het in zulk duur materiaal was ingepakt. Kulgan verwijderde het fluweel en onthulde een kristallen bol, fonkelend in het licht van het vuur. `O,' zei Puc bij het zien van zoveel schoonheid, want de bol was helemaal gaaf en schitterend van vorm door zijn eenvoud.
Wijzend op de glazen bol zei Kulgan: `Dit instrument heb ik gekregen van Althafain van Cars, een van de machtigste kunstenaars in de magie, die mij een dergelijk geschenk waardig achtte omdat ik in het verleden een paar keer iets voor hem gedaan heb – maar dat doet er nu niet toe. Ik kom net terug van het gezelschap van meester Althafain en was zijn geschenk aan het uitproberen. Kijk diep in de bol, Puc.'
Puc vestigde zijn blik op de bol en probeerde de diep in het kristal spelende glinstering van het haardvuur te volgen. De weerspiegelingen van de kamer, verhonderdvoudigd, voegden zich samen en dansten hem voor de ogen, die probeerden ieder detail in de bol in zich op te nemen. Ze vloeiden en mengden, toen werden ze mistig en vaag. Een zachte, witte glans in het centrum van de bol verving het rode haardvuur en Puc voelde zijn blik gevangen door de plezierige warmte ervan. Net de warmte in de keuken van de veste, dacht hij afwezig.
Plotseling verdween het melkachtige wit uit de bol en Puc kreeg het beeld van de keuken voor ogen. Dikke Alfan, de kok, stond pasteitjes te maken en likte zoete kruimels van zijn handen. Dit riep de toorn van Megar, de chef-kok, over hem af, want die vond het een walgelijke gewoonte. Puc lachte om het schouwspel en het verdween. Ineens voelde hij zich moe.
Kulgan wikkelde de doek rond de bol en zette hem weg.
`Goed gedaan, jongen,' zei hij bedachtzaam. Hij bleef even naar de jongen staan kijken alsof hij iets overwoog en ging toen zitten. `Ik had jou niet in staat geacht bij de eerste poging zo`n helder beeld te creëren, maar je schijnt meer in je te hebben dan je doet voorkomen.'
`Pardon?'
`Laat maar, Puc.' Hij wachtte even en zei toen: `Ik was voor de eerste keer met dat speelgoedje bezig, om te bepalen hoever ik mijn zicht kon richten, toen ik jou zag, lopend in de richting van de weg. Uit je manke tred en je blauwe plekken maakte ik op dat je de stad nooit zou halen, dus heb ik Briaer gestuurd om je te gaan halen.'
Verlegen van de ongewone aandacht voelde Puc de kleur naar zijn wangen stijgen. Met de zelfoverschatting van een dertienjarige zei hij: `Dat had u niet hoeven doen, meneer. Ik zou de stad op den duur wel hebben bereikt.'
Kulgan glimlachte. `Misschien wel, maar aan de andere kant, misschien ook niet. Het is een zware storm voor de tijd van het jaar en die maakt het reizen gevaarlijk.'
Puc luisterde naar het zachte tikken van de regen op het dak van het huisje. De storm leek te zijn afgenomen en Puc twijfelde aan de woorden van de magiër. Alsof hij de gedachten van de jongen kon lezen, zei Kulgan: `Twijfel er maar niet aan, Puc. Dit laar wordt door meer beschermd dan de immense stammen alleen. Zou je de cirkel van eiken die de rand van mijn terrein markeren passeren, dan zou je de storm in zijn volle woestheid voelen. Briaer, wat is jouw schatting van de wind?'
Even hield Briaer op met kneden om na te denken. `Bijna net zo erg als de storm die drie jaar geleden zes schepen deed stranden.' Hij zweeg even, alsof hij zijn schatting overwoog en knikte toen om die te ondersteunen. `Ja, bijna net zo erg, maar deze duurt niet zo lang.'
Puc dacht terug aan de storm die drie jaar geleden een handelsvloot uit Queg tegen de rotsen van Zeemans Leed had gedreven. Toen die op zijn hevigst was, moesten de kasteelwachters de muren verlaten omdat ze er anders vanaf woeien. Als deze storm net zo zwaar was, dan was Kulgans magie indrukwekkend, want buiten het huisje klonk het als niet meer dan een lentebuitje.
Kulgan ging weer op zijn bank zitten, in beslag genomen door een poging zijn uitgedoofde pijp aan te steken. Terwijl hij een grote wolk zoete, witte rook uitstootte, dwaalde Pucs aandacht af naar een boekenkast achter de magiër. Zijn lippen bewogen geluidloos terwijl hij de tekst op de kaften probeerde te onderscheiden, maar het lukte niet.
Kulgan trok een wenkbrauw op. `Jij kan dus lezen, hè?'
Puc schrok, bang dat hij de magiër had geërgerd. Zijn verlegen heid bemerkend zei Kulgan: `Dat geeft niets, jongen. Het kennen van letters is geen misdaad.'
Enigszins gerustgesteld zei Puc: `Ik kan een beetje lezen, meneer. Kok Megar heeft me geleerd hoe ik de lijsten van de keukenvoorraden kan lezen die in de kelder liggen. Ik ken ook een paar getallen.'
`Getallen ook al!' riep de magiër goedgehumeurd uit. `Zo, jij bent wel een beetje een vreemde vogel.' Hij greep achter zich en haalde een van de boeken, gebonden in roodbruin leer, van de plank. Dat sloeg hij open, turend naar een pagina, toen naar nog een, en ten slotte vond hij een bladzijde die aan zijn eisen voldeed. Hij draaide het opengeslagen boek rond en legde het voor Puc neer op tafel, wijzend op een passage die was verluchtigd door een schitterend patroon van slangen, bloemen en rond elkaar draaiende takken in een kleurrijk ontwerp rond een grote letter in de linkerbovenhoek. `Lees eens voor, jongen.'
Puc had nog nooit iets dergelijks gezien. Zijn lessen had hij gekregen op doodgewoon perkament met letters in Megars lompe handschrift, met houtskool geschreven. Gefascineerd door de details van het werk, bleef hij zitten kijken en besefte toen dat de magiër naar hem keek. Snel tot zichzelf komend begon hij te lezen.
`En toen kwam er een op... oproep van...' Hij aarzelde, keek naar het woord, struikelend over de complexe combinaties die geheel nieuw voor hem waren. `... Zaraca.' Zwijgend keek hij naar Kulgan om te zien of dat goed was. De magiër knikte dat hij door kon gaan. `Want het noorden moest worden verg... vergeten, opdat het hart van het keizerrijk niet zou verzwakken en alles verloren zou zijn. En al waren zij geboortig uit Bosanië, toch waren de soldaten trouw aan Groot Kesh. Daarom namen zij, voor de grote nood van de Keizerin, de wapens op en trokken hun harnas aan en verlieten zij Bosanië per schip naar het zuiden om alles van de vernietiging te redden.'
`Dat is genoeg,' zei Kulgan en sloeg voorzichtig het boek dicht. `Voor een jongen uit de veste ben jij wel zeer bedreven met letters.'
`Wat is dat voor een boek, meneer?' vroeg Puc, toen Kulgan het bij hem wegnam. `Ik heb nog nooit zoiets gezien.'
Even keek Kulgan Puc aan met een blik die hem opnieuw ongemakkelijk maakte. Toen glimlachte hij en de spanning brak. Het boek terugzettend zei hij: `Het verhaalt over de geschiedenis van dit land, jongen. Het was een geschenk van de abt van een Ishapisch klooster. Het is de vertaling van een Keshische tekst van meer dan honderd jaar oud.'
Puc knikte en zei: `Het klonk allemaal zo vreemd. Waar gaat het over?'
Kulgan keek nog eens naar Puc alsof hij hem probeerde te peilen en zei: `Lange tijd geleden, Puc, maakte heel het gebied aan weerszijden van de Grijze Torenbergen, van de Eindeloze Zee tot aan de Bitterzee, deel uit van het Keizerrijk Groot Kesh. Ver naar het oosten lag een klein koninkrijk op een klein eiland, Rillanon. Het groeide door de koninkrijken op naburige eilanden te veroveren, en zo ontstond het Koninkrijk der Eilanden. Later breidde het zich verder uit over het vasteland en hoewel het nog steeds het Koninkrijk der Eilanden is, noemen we het nu gewoonweg het Koninkrijk. Wij, hier in Schreiborg, maken deel uit van het Koninkrijk, zelfs al wonen we zo ver verwijderd van de hoofdstad Rillanon als binnen het grensgebied maar mogelijk is.
Lange tijd geleden trok het Keizerrijk Groot Kesh zich terug uit dit gebied, want het was verwikkeld in een langdurig en bloedig conflict met zijn zuiderburen, de Keshische Confederatie.'
Puc was geheel in beslag genomen door de verhevenheid van verloren keizerrijken, maar hongerig genoeg om op te merken dat Briaer enkele bruine deegbroden in de haardoven schoof. Hij vestigde zijn aandacht weer op de magiër. `Wat was de Keshische Con...?'
`De Keshische Confederatie,' vulde Kulgan aan. `Een groep kleine staatjes die al eeuwenlang schatplichtig waren aan Groot Kesh. Een jaar of tien voordat dat boek werd geschreven, verenigden zij zich tegen hun onderdrukker. Elke staat afzonderlijk kon niet op tegen Groot Kesh, maar te zamen vormden zij zijn gelijke. En met recht een gelijke, want de oorlog sleepte zich jaar in jaar uit voort. Het keizerrijk was gedwongen de in zijn noordelijke gewesten gelegerde legioenen zuidwaarts te sturen en zo werd het noorden blootgelegd aan het oprukkende nieuwe, jongere Koninkrijk. De grootvader van hertog Borric, de jongste zoon van de koning, leidde het leger westwaarts en breidde zo het Westelijke Rijk uit. Sindsdien wordt heel het gebied dat eens de keizerlijke provincie Bosanië was, op de Vrijsteden van Natal na, het Hertogdom Schreiborg genoemd.'
Puc dacht even na en zei: `Ik zou best wel eens naar dat Groot Kesh willen reizen.'
Briaer snoof, het had iets weg van lachen. `En hoe zou je dan reizen? Als vrijbuiter?'
Puc voelde zijn wangen rood worden. Vrijbuiters waren landlozen, huurlingen die vochten tegen betaling en die als nauwelijks beter dan bandieten beschouwd werden.
`Misschien doe je dat ook nog wel eens, Puc,' zei Kulgan. `De weg is lang en vol gevaren, maar het zou niet de eerste keer zijn dat een dappere en onversaagde ziel de reis overleeft. Er zijn wel vreemdere dingen gebeurd.'
Het tafelgesprek wendde zich naar algemenere onderwerpen, want de magiër was meer dan een maand in de veste van het zuidelijke Cars geweest en was nieuwsgierig naar de nieuwtjes uit Schreiborg. Toen het brood gebakken was, diende Briaer het warm op, sneed het vlees en serveerde schotels kaas en groenten. Puc had van zijn leven nog nooit zo goed gegeten. Ook al werkte hij in de keuken, zijn positie in de veste gaf hem recht op slechts een karige hap. Tweemaal tijdens de maaltijd merkte Puc dat de magiër hem indringend zat op te nemen.
Na de maaltijd ruimde Briaer af en begon de borden af te wassen met schoon zand en water terwijl Kulgan en Puc zaten te praten. Een klein stukje vlees bleef liggen, dat Kulgan naar Fantus gooide, die nog steeds voor het vuur lag. De varaan opende een oog om het hapje te taxeren. Even overwoog hij de keus tussen zijn comfortabele rustplaats en het sappige stukje, toen verplaatste hij zich de vereiste zes duim om de buit te verzwelgen en sloot zijn oog.
Met geoefende bewegingen begon Kulgan zijn pijp opnieuw te stoppen. Terwijl hij die aanstak, vroeg hij: `Wat zijn jouw plannen als je de mannelijkheid bereikt, jongen?'
Puc had zitten vechten tegen de slaap, maar Kulgans vraag maakte hem weer klaarwakker. De tijd van het Kiezen, wanneer de jongens uit de stad en de veste tot leerjongen werden gekozen, was nabij, en Puc werd opgewonden toen hij zei: `Deze Midzomerdag hoop ik in dienst van de hertog te komen onder zwaardmeester Fannon.'
Kulgan bekeek zijn tengere gast. `Ik had verwacht dat jij pas over een jaar of twee leerling zou worden, Puc.'
Puc bloosde. Van alle jongens uit het kasteel van zijn leeftijd, was hij de kleinste. `Megar de kok zegt dat ik misschien wat laat tot mijn volle wasdom kom,' zei hij met een zweem van trots in zijn stem. `Niemand weet wie mijn ouders waren, dus ze hebben geen idee wat ze kunnen verwachten.'
`Wees, dus?' vroeg Briaer terwijl hij een wenkbrauw optrok, tot nog toe zijn meest expressieve gebaar.
Puc knikte. `Ik ben naar de Priesters van Dala gebracht, de abdij in de bergen, door een vrouw die zei dat ze me langs de weg had gevonden. De priesters hebben me toen ondergebracht in de veste, want ze konden niet voor me zorgen.'
`Ja,' bracht Kulgan in, `ik herinner me nog dat zij die het Schild van de Zwakken vereren jou naar het kasteel kwamen brengen. Je was nog maar een zuigeling, net uit het ei. Het is slechts te danken aan de goedheid van de hertog dat je nu een vrijgeborene bent. Hij vond het een minder kwaad om een horige te bevrijden dan om een vrijgeborene te binden. Zonder het bewijs was het zijn goed recht geweest om je horig te verklaren.'
`Aardige man, de hertog,' zei Briaer op vrijblijvende toon.
Puc had het verhaal over zijn herkomst al honderden keren gehoord van Magya in de keuken van het kasteel. Hij voelde zich helemaal uitgewrongen en kon zijn ogen nauwelijks openhouden. Kulgan zag het en gaf Briaer een seintje. De rijzige leenman pakte een paar dekens van een plank en maakte een stromatras op. Tegen de tijd dat hij klaar was, was Puc met zijn hoofd op tafel in slaap gevallen. De grote man tilde hem voorzichtig op, legde hem op de dekens en dekte hem toe.
Fantus opende zijn ogen en bekeek de slapende jongen. Gapend als een oester strompelde hij naar Puc en kroop lekker tegen hem aan. Puc verplaatste zijn gewicht in zijn slaap en legde een arm over de drakennek van de varaan. Het draakje bromde goedkeurend, diep in zijn keel, en deed zijn ogen weer dicht.