Raymond E. Feist

Conclaaf der Schaduwen (Deel 3)

De Terugkeer van de Banneling

Hoofdstuk 1

Gevangene

De ruiters kwamen op hem af.
Kaspar, tot de dag ervoor nog Hertog van Olasko, wachtte af, zijn ketenen paraat. Kort tevoren was hij op deze stoffige vlakte afgezet door een lange magiër met wit haar, die na slechts enkele woorden ten afscheid was verdwenen om de verbannen edelman achter te laten voor een naderende bende bloeddorstige nomaden.
Kaspar had zich nog nooit zo bezield en vol vuur gevoeld. Grijnzend haalde hij diep adem en boog licht door zijn knieën. De ruiters verspreidden zich; ze vonden hem dus bedreigend, ook al stond hij daar alleen, barrevoets, met als enige wapens de zware ketenen met de kluisters aan de uiteinden.
Ze minderden vaart. Kaspar telde er zes. Ze waren merkwaardig gekleed in loszittende, indigoblauwe gewaden over een witte boezeroen met een zweepkoord om het middel. De pijpen van de pofbroek eronder zaten in zwartlederen laarzen. De hoofden waren bedekt met een gewikkelde tulband, waarvan rechts een lap stof loshing. Kaspar begreep dat die snel voor mond en neus kon worden geslagen wanneer er plots een zandstorm opstak of als ze hun identiteit verborgen wilden houden. Het was niet zo zeer een uniform als wel stamkledij, meende hij. En ze hadden verscheidene levensgevaarlijke wapens bij zich.
De leider sprak in een taal die Kaspar niet verstond, al klonk die wel vreemd vertrouwd. 'Er is zeker geen kans dat een van jullie een mondje Olaskees spreekt?'
De man die Kaspar had bestempeld als leider zei iets tegen zijn metgezellen, maakte een gebaar en ging toe zitten kijken. Twee mannen stegen af en liepen op Kaspar toe, de wapens trekkend. Een derde achter hen wikkelde een lederen koord af waarmee hij hun gevangene van plan was vast te binden.
Kaspar liet zijn ketenen wat zakken en zijn schouders hangen, alsof hij het onvermijdelijke van zijn omstandigheden erkende. De manier waarop ze naderbij kwamen, zei Kaspar twee dingen: dit waren ervaren krijgers -- geharde vlaktebewoners die vermoedelijk in tenten woonden -- en het waren geen geoefende soldaten. Eén blik leerde Kaspar het ene feit waarop hij zijn beslissing kon baseren. Geen van de drie mannen die nog te paard zaten, had een boog getrokken.
Kaspar liet de man met het lederen koord dichterbij komen, en op het laatste moment trapte hij hem met zijn voet tegen de borst. Dit was de minst gevaarlijke van de drie uit het zadel. Meteen daarop zwaaide Kaspar met zijn ketenen en liet een ervan tegelijkertijd vieren. De zwaardvechter rechts van hem, die buiten het vermeende bereik van Kaspar was blijven staan, kreeg het geïmproviseerde wapen vol in het gezicht. Kaspar hoorde botten breken. Geluidloos zeeg de man neer.
De andere zwaardvechter reageerde vlug, hief zijn zwaard en uitte een kreet -- een scheldwoord, een strijdkreet of een gebed tot een god, Kaspar wist het niet. Het enige wat de gewezen hertog wist, was dat hij misschien nog drie of vier seconden had om dit te overleven. In plaats van weg te duiken voor de aanvaller stortte Kaspar zich op de man en botste tegen hem aan terwijl het zwaard door het luchtledige suisde.
Hij kreeg zijn schouder onder de oksel van zijn belager, en door de vaart van de gemiste slag vloog de nomade over Kaspars rug. Met zijn sterke armen duwde Kaspar hard omhoog, en de man suisde door de lucht om met een smak op de grond te belanden. De lucht werd hem uit zijn lijf geslagen, en volgens Kaspar kon hij zijn rug wel eens hebben gebroken.
Meer dan dat hij het zag, voelde Kaspar dat twee van de ruiters naar hun boog grepen, dus hij sprong naar voren, en met een duik rolde hij over zijn schouder en kwam overeind met het zwaard van een van de gevallenen in zijn hand. De nomade met het lederen koord kwam net overeind om zijn zwaard te trekken toen Kaspar langs hem heen stormde. Met de platte kant van de kling sloeg hij hem tegen het hoofd. Zonder een kik te geven viel de man om.
Kaspar mocht dan niet zo'n goed zwaardvechter zijn als Klaus Haviks, maar hij was wel bijna zijn hele leven onder de wapenen geweest, en nu voelde hij zich in zijn element, vechtend van man tot man. Hij rende naar de drie ruiters, van wie twee met een boog en een met een dunne lans. Die man richtte zijn wapen en zette zijn hielen in de flanken van zijn paard. Het rijdier mocht dan geen doorgewinterd krijgsros zijn, maar het was wel goed geoefend. Het dier sprong naar voren als bij de start van een wedren, en ternauwernood wist Kaspar te voorkomen dat hij werd vertrapt. Bijna kreeg hij de punt van de lans in zijn borst, maar met een snelle beweging naar links kon hij die ontwijken. Was het paard maar een el of twee verderop begonnen, dan zou hij te snel zijn geweest voor Kaspars volgende beweging, namelijk verder draaien en omhoog grijpen met zijn linkerhand. Aan het achterpand van zijn gewaad rukte hij de ruiter uit het zadel.
Kaspar wachtte niet af tot de man tegen de grond sloeg maar draaide in één beweging verder tot hij aankwam bij de andere ruiter, die net zijn boog spande. Met zijn linkerhand greep Kaspar hem bij de enkel. Hij gaf een ruk naar achteren en omhoog, en de schutter viel uit het zadel.
Meteen draaide Kaspar zich om, op zoek naar de laatste tegenstander en om te zien of een van de uit het zadel gelichte ruiters overeind was gekrabbeld. Hij draaide tweemaal voordat hij zijn situatie accepteerde. Langzaam rechtte hij zijn rug en liet het zwaard uit zijn vingers vallen.
De laatste boogschutter had beheerst zijn paard een paar el verderop gestuurd en zat nu rustig in het zadel, een pijl gericht op Kaspar. Het was uitzichtloos. Kaspar kon de naar zijn borst wijzende pijl hooguit ontwijken als de man totaal niet kon schieten.
De ruiter glimlachte, knikte en zei iets tegen Kaspar dat hij opvatte als: 'Mooi'. Daarop ging zijn blik naar iemand achter Kaspar.
Een van de ruiters die hij had vernederd, sloeg Kaspar plots met de onderarm in de nek, waardoor Kaspar op zijn knieën viel. Hij wilde omkijken toen hij metaal hoorde rinkelen en begreep dat er iemand aankwam met de ketenen die hij had laten vallen. Voordat hij zijn hoofd kon draaien, werd hij door koud ijzer getroffen op de punt van zijn kin. Felle lichten flitsten achter zijn ogen op, vlak voordat hij het bewustzijn verloor.

Kaspars kin klopte. Zijn nek deed pijn, en zijn hele lijf voelde beurs. Even wist hij niet waar hij was, toen herinnerde hij zich de confrontatie met de nomaden. Hij knipperde met zijn ogen om scherper te zien, besefte toen dat het nacht was. Uit de veelheid van pijnen die hij ervoer toen hij zich trachtte te verroeren, maakte hij op dat de ruiters een aardig tijdje op hem in hadden staan schoppen nadat hij bewusteloos was geslagen, om hun ongenoegen te tonen over de manier waarop hij hun verzoek om overgave had ontvangen.
Het was maar goed dat hij geen van hen had gedood, want dat zou hem waarschijnlijk een doorgesneden keel hebben opgeleverd. Zijn kans om bij dat treffen te ontsnappen was gering geweest. Met moeite kwam hij overeind, wat geen kleinigheid was met zijn handen op zijn rug gebonden. Maar een geoefend vechter stond bij dergelijke mensen doorgaans meer kans op overleven dan, bijvoorbeeld, een gewone landarbeider of een huisbediende.
Rondkijkend zag hij dat hij was vastgezet achter een tent. Zijn polsen waren strak tegen elkaar gebonden met een lederen koord dat ook nog eens met een stevig touw aan een tentharing was bevestigd. Een paar voet kon hij zich verplaatsen, maar het touw was te kort om te kunnen staan. Snelle inspectie van de haring leerde hem dat hij die er vast wel uit kon trekken, maar dan zou de tent instorten en wisten zijn gastheren meteen van zijn poging tot vertrek.
Hij had nog steeds dezelfde kleren aan. Vlug ging hij zijn lijf langs en kwam tot de slotsom dat er niets was gebroken of te ernstig gekneusd.
Rustig bleef hij zitten nadenken. Zijn indrukken over deze mensen leken tot dusver te kloppen. Van het weinige dat hij aan de andere kant van de tent kon zien, wist hij dat het een klein kamp was, van misschien alleen de zes ruiters en hun gezinnen, misschien nog wat meer. Maar hij zag ook een rij paarden staan, en naar ruwe schatting waren er minstens twee tot drie rijdieren per aanwezige persoon.
Aan de andere kant van de tent hoorde hij mensen zachtjes praten. Hij deed zijn best te luisteren naar de vreemde taal. Hij leunde achterover. Hier en daar klonk er een woord tergend bekend.
Kaspar had een goed gevoel voor taal. Als erfgenaam van zijn vader was hij uitgebreid onderwezen in de talen van de omringende landen. Zodoende sprak hij niet alleen vloeiend en accentloos Koninkrijks -- de taal van het Koninkrijk der Eilanden -- maar ook de talen die verwant waren aan zijn eigen Olaskees en allemaal afstamden van het Roldeems. Daarbij sprak hij foutloos het hoofse Keshisch en had hij de tijd genomen voor het leren van een beetje Quegs, een variant van Keshisch dat onafhankelijk was ontwikkeld nadat het Quegse Koninkrijk bijna twee eeuwen eerder met succes in opstand was gekomen tegen het Keizerrijk Groot Kesh.
Tijdens zijn omzwervingen had hij dialecten en jargon opgepikt uit een handvol gewesten van die vreemde landen, en wat hij nu hoorde kwam hem erg bekend voor. Hij deed zijn ogen dicht en liet zijn gedachten de vrije loop, luisterend naar het gesprek.
Toen hoorde hij een woord: ak-káwa. Acqua! Het was met een zwaar accent en de klemtoon lag anders, maar het was Quegs voor 'water'! Ze bespraken dat ze ergens moesten stoppen voor water. Hij luisterde en liet de woorden over hem heen stromen zonder ze te willen begrijpen, gewoon om zijn oren te laten wennen aan het ritme en de klanken, de patronen en geluiden.
Een uur lang bleef hij daar zitten luisteren. Eerst herkende hij maar één op de honderd woorden. Toen misschien een op de vijftig. Hij verstond er een op de tien toen hij voetstappen hoorde naderen. Hij liet zich in elkaar zakken, zogenaamd bewusteloos.
Kaspar hoorde twee paar voetstappen dichterbij komen. Op zachte toon sprak een man. Kaspar begreep de woorden 'goed' en 'sterk' van de een. Er volgde een snel gesprek. Voor zover Kaspar het kon beoordelen wilde de een hem ter plekke doden omdat hij hun meer tot last kon zijn dan hij op zou brengen, maar de ander bepleitte dat hij waarde had omdat hij sterk was en ergens goed in was, vermoedelijk met het zwaard, aangezien het de enige vaardigheid was waarvan Kaspar blijk had gegeven voordat hij werd overwonnen.
Het kostte Kaspar al zijn zelfbeheersing om niet te bewegen toen hij onzacht door een laars werd gepord om te zien of hij echt bewusteloos was. Toen liepen de twee mannen weg.
Kaspar wachtte, en toen hij zeker wist dat ze waren vertrokken, waagde hij een blik en ving een glimp op van twee ruggen die rond de tent liepen.
Hij kwam overeind.
Vechtend om zich te concentreren op wat hij hoorde begon hij te worstelen met zijn boeien. Het gevaar was dat hij zich zo scherp richtte op ontsnappen dat hij niemand dichterbij hoorde komen. Zijn grootste kans om te ontsnappen was deze eerste nacht, terwijl ze dachten dat hij nog steeds bewusteloos was. Er was maar weinig dat in zijn voordeel werkte. Hoogstwaarschijnlijk kenden zij de omgeving en waren het ervaren spoorzoekers.
Het enige wat hem restte was het verrassingselement. Kaspar was een goed jager en wist waartoe een slim prooidier in staat was. Hij moest minstens een uur voorsprong op de nomaden hebben, maar eerst moest hij zich zien te bevrijden van de lederen boeien om zijn polsen.
Toegevend aan de onredelijke neiging de koorden te testen probeerde hij zijn handen van elkaar te trekken, maar dat deed alleen maar pijn. Hij kon ze niet zien, maar zo te voelen was het leer ongelooid. Als hij de koorden nat kon krijgen, zouden ze oprekken en kon hij er misschien uit glijden.
Na een vruchteloze worsteling richtte hij zijn aandacht op het touw, dat hij wel kon zien. Er was weinig kans om het touw van de pin af te halen zonder de hele tent in te laten storten, maar een andere mogelijkheid kon hij niet bedenken. Hij moest eerst de ene en vervolgens de andere kant op draaien om tot de conclusie te komen dat het gewoon niet ging met zijn handen op zijn rug.
Kaspar bleef zitten wachten. Terwijl de uren voortkropen werd het stiller in het kamp. Hij hoorde voetstappen en hield zich andermaal bewusteloos toen er iemand naar hem kwam kijken alvorens het bed op te zoeken. Weer wachtte hij, tot hij zeker wist dat ze in de tent sliepen. Toen kwam hij overeind. Hij keek naar de hemel en zag alleen maar onbekende sterren. Als iemand van een zeevaardersvolk kon hij navigeren op de sterren, te lans zowel als op zee, maar boven hem lagen onbekende constellaties. Hij moest zich verlaten op een rudimentaire navigatie tot hij gewend raakte aan de sterrenstelsels aan de hemel. Wel wist hij waar de zon was ondergegaan. Daar had hij in de verte een rotsspiraal gezien, vlak voor zonsondergang. Hij wist dus waar het noorden lag.
En de weg naar huis voerde hoogstwaarschijnlijk in noordoostelijke richting. Kaspar had genoeg gelezen om te weten waar het continent Novindus lag, ten opzichte van Olasko. Afhankelijk van de plek waar hij zich op dit continent bevond, kon hij het beste eerst naar de zogenaamde Stad aan de Serpentrivier. Er was nagenoeg geen handel tussen deze gebieden en de landen aan de andere kant van de wereld, maar de handel die er was, had zijn oorsprong in die stad. Daarvandaan kon hij naar de Avondroodeilanden, en daarvandaan naar Krondor. Eenmaal in het Koninkrijk der Eilanden kon hij naar huis lopen, als het moest.
Het was nog maar de vraag of het hem zou lukken, maar wat hem ook mocht overkomen, als het maar gebeurde terwijl hij zijn best deed om thuis te komen.
Thuis, dacht hij bitter. Een dag eerder was hij nog thuis geweest, aan het bewind van zijn land, voordat hij gevangen was genomen in zijn eigen citadel, verslagen door een vroegere bediende die hij zo goed als dood had gewaand. De nacht had hij geketend doorgebracht, nadenkend over de dramatische omkering van het lot dat hem had overweldigd, en hij was ervan overtuigd geweest dat hij zou worden opgehangen.
Maar Klaudius Haviks, zijn vroegere bediende, had hem vergeven, en hij was verbannen naar dit verre oord. Kaspar wist niet precies wat er de afgelopen dagen was gebeurd. In feite was hij zich gaan afvragen of hij de laatste jaren wel zichzelf was geweest.
Hij had wachters buiten zijn kamers horen praten terwijl hij wachtte op de terechtstelling waarop hij rekende. Leso Varen, zijn magiër en raadsman, was in de slag om de citadel gedood. Jaren eerder was de magiër bij hem gekomen en had hem grote macht beloofd, in ruil voor Kaspars bescherming. In het begin was zijn aanwezigheid maar een onbeduidende afleiding geweest, en van tijd tot tijd had hij zich nuttig getoond.
Kaspar haalde diep adem en richtte zijn aandacht weer op het verkrijgen van zijn vrijheid. Later kon hij nadenken over zijn verleden, vooropgesteld dat hij nog lang genoeg leefde voor een toekomst.
Kaspar had brede schouders en was ongewoon sterk, maar zijn uiterlijk was misleidend. In tegenstelling tot de meeste mannen die zo waren gebouwd, hield hij zichzelf lenig. Terwijl hij alle lucht uit zijn longen blies en zijn schouders naar voren boog, trok hij zijn knieën stevig tegen zijn schouders, stak zijn hoofd tussen zijn bovenbenen en perste zijn voeten tussen zijn geboeide polsen door. Hij voelde de gewrichtsbanden protesteren terwijl hij zijn armen zo ver mogelijk uitrekte, maar hij wist zijn handen voor zijn lichaam te krijgen.
En onderwijl trok hij bijna de tent omver. Hij kon nu gaan liggen zonder spanning op het touw en de tentharing. Die bekeek hij. De boeien waren inderdaad van ongelooid leer, en hij zette er zijn tanden in. Met speeksel maakte hij de eenvoudige knoop nat en knaagde eraan tot hij losser kwam. Geruime tijd bleef hij aan de lusjes trekken, tot plotseling de knoop losliet en zijn handen vrij waren.
Hij spande en ontspande zijn vingers en wreef over zijn polsen. Langzaam stond hij op. Opzettelijk langzaam en diep ademend sloop hij rond de tent naar de voorkant. Glurend om de hoek van de tent zag hij aan de andere kant van het kamp een enkele bewaker met zijn rug naar het vuur zitten.
Koortsachtig dacht Kaspar na. Eén ding had hij met de jaren goed geleerd: besluiteloosheid leidde tot groter onheil dan een verkeerde keuze. Hij kon proberen de bewaker het zwijgen op te leggen en daarmee mogelijk enkele uren te winnen op de achtervolging die zeker zou komen, of hij kon gewoon weggaan en hopen dat de bewaker voor zonsopgang niet naar hem kwam kijken. Maar waar hij ook voor koos, hij moest het nu doen!
Zonder bewuste inspanning deed hij een stap in de richting van de bewaker. Hij vertrouwde op zijn ingevingen: de mogelijke beloning was het risico waard. De bewaker neuriede een eenvoudig deuntje, misschien om zichzelf wakker te houden. Soepel lopend op de ballen van zijn voeten naderde Kaspar de man van achteren.
Verandering in het licht toen Kaspar tussen de bewaker en het kampvuur stapte, of anders een zacht geluid of pure intuïtie, deed de man omkijken. Zo hard hij kon haalde Kaspar uit en raakte hem achter het oor. De knieën van de man knikten en zijn ogen werden glazig, en Kaspar gaf hem een vuistslag op de kin. De man viel, maar Kaspar ving hem op.
Met slechts enkele tellen tussen gevangenschap en vrijheid ontdeed hij de bewaker van zijn hoofddoek en zijn zwaard. Maar de man had kleinere voeten dan hij, dus aan zijn laarzen had Kaspar niets.
Hij vervloekte de soldaat die hem zijn laarzen had afgenomen, de nacht van zijn gevangenschap. Blootsvoets kon hij onmogelijk ontkomen. Hij had niet het eelt van iemand die gewend was zonder laarzen door het leven te gaan, en al wist hij weinig van het omliggende terrein, wat hij ervan had gezien zei hem dat het rotsachtig en genadeloos was. Wel herinnerde hij zich een groepje bomen op een helling ver in het noordoosten, maar het leek hem sterk dat hij zich daar goed kon verstoppen. Of er verder nog dekking in de buurt was, wist hij niet. In de tijd tussen zijn komst en het gevecht met de nomaden had hij geen gelegenheid gehad zijn omgeving in zich op te nemen. Zijn enige kans om te ontsnappen lag in het vinden van een paar laarzen en vervolgens zo ver mogelijk bij de nomaden vandaan zien te komen voordat ze wakker werden. Als hij de rotsen van de heuvelkam boven het kamp in klom, konden de paarden hem niet volgen.
Even bleef hij stil staan, toen rende hij zachtjes naar de grootste tent. Met het zwaard in de aanslag duwde hij voorzichtig de tentflap opzij. Van binnen klonk gesnurk. Zo te horen lagen er twee mensen te slapen, een man en een vrouw. In het donker kon hij weinig zien, dus wachtte hij tot zijn ogen gewend waren. Even later zag hij een derde gestalte in het linkerdeel van de tent liggen, een kind, naar de grootte te oordelen.
Kaspar zag een paar laarzen staan, naast een kistje waarin hij de persoonlijke schatten van het stamhoofd vermoedde. Ongewoon stil voor iemand van zijn omvang sloop Kaspar ernaar toe. Voorzichtig pakte hij de laarzen op. Ze waren groot genoeg voor hem, en hij liep terug naar de tentflap. Hij bleef staan, in tweestrijd. Hij zou vrijwel zeker weer worden ingehaald en gevangen genomen, ditmaal misschien zelfs gedood, als hij niet iets kon bedenken. Maar wat? Terwijl hij daarover nadacht, verstreek er kostbare tijd, tijd die hij nooit meer terugkreeg, tijd die hij verloor om de afstand tussen hemzelf en het kamp te vergroten.
Besluiteloosheid behoorde niet tot Kaspars eigenschappen. Rondkijkend in het donker zag hij de wapens van het stamhoofd waar hij ze verwachtte, binnen handbereik, in geval van nood. Hij sloop langs het slapende echtpaar en pakte de dolk van de nomadenleider. Het lange, brede lemmet diende slechts één doel: iemand van dichtbij een gapend gat in de buik bezorgen. Er was niets sierlijks aan, en het mes deed Kaspar denken aan de dolken van de nomaden uit de Jal-Purwoestijn in Kesh. Ergens in zijn achterhoofd vroeg hij zich af of deze mensen niet verwant aan hen waren. De taal van de Jal-Pur was niet verwant aan het Keshisch, maar het Quegs was wel een dialect van het Keshisch geweest, en de taal van deze mensen leek daar wat op.
Met het mes in zijn hand sloop Kaspar dichter naar de tentflap. In het donker keek hij naar het kind. Hij kon niet zien of het een jongen of een meisje was, want het haar lag tot op de schouders, en het gezichtje was van hem afgewend. Met een snelle neerwaartse stoot stak Kaspar de dolk door het grondzeil in de aarde eronder. Het kind bewoog maar werd niet wakker van het doffe geluid.
Kaspar verliet de tent. Vlug keek hij rond en zag wat hij nodig had: een volle waterzak. Verlangend keek hij naar de rij paarden, maar die liet hij staan. Met een rijdier kon hij dit makkelijker overleven, maar als hij er eentje ging zadelen, zou er vast iemand wakker worden, en wat zijn waarschuwing in de tent hem ook mocht opleveren, als hij een paard van deze mensen stal, was hij dat voordeel kwijt.
Kaspar liep het kamp uit, in de richting van de bomen en de heuvels erachter. Wat hij voor zijn gevangenname had gezien, wees erop dat dit rotsachtig terrein was, en misschien zouden deze ruiters hem niet willen volgen als de weg te zwaar was. Misschien moesten ze naar een afspraak, of misschien stemde Kaspars boodschap hen tot nadenken.
Want dat stamhoofd zou zeker niet zo dom zijn dat hij niet begreep wat Kaspar had gedaan. De dolk naast zijn kind zou hem zeggen: 'Ik had jou en je gezin kunnen doden in jullie slaap, maar ik heb jullie gespaard. Laat me verder met rust.'
Kaspar hoopte tenminste dat de man het zou begrijpen.

Met het krieken van de ochtend klom Kaspar over rotsblokken hoog in de heuvels. Er was bijna nergens dekking boven het groepje bomen dat hij de vorige dag had gezien, en hij was naarstig op zoek naar een verstopplaats.
Hij kon het kamp beneden nog steeds zien, al waren de tenten nu spikkels in de verte op de bodem van de brede vallei. Vanaf deze hoogte kon hij zien dat de vallei een vernauwing was van een brede vlakte, aan zijn kant geflankeerd door rotsachtige heuvels tegenover een plateau. Aan de andere kant van de vallei rees in de verte een enorme bergketen op. Besneeuwde toppen zinspeelden op een barre overtocht. De militair in hem had bewondering voor het feit dat deze plek zo goed te verdedigen was, mocht iemand een fort neerzetten op de plaats waar het tentenkamp stond. Maar terwijl hij de horizon afspeurde, kwam hij tot de slotsom dat er hier niets te beschermen viel.
Er was kennelijk geen water in de vallei. De bomen die hij achter zich had gelaten waren van een hem onbekende soort. Ze waren schriel, met een taaie, zwarte bast en doornen, en ze hadden duidelijk niet veel water nodig. Overal waar hij keek zag hij zand en steen. De vallei beneden en de geul door de rotsen zeiden hem echter dat er hier eens een rivier had gestroomd. Door zandverstuivingen of een klimaatverandering was deze nu opgedroogd, en de enige functie van de geul was nu een snelle doorgang voor ruiters tussen bestemmingen die Kaspar beide onbekend waren.
Geluiden in de verte vertelden hem dat zijn ontsnapping was ontdekt, en hij klom weer verder, licht in het hoofd en wat verzwakt. Al minstens twee dagen had hij niet meer gegeten, afhankelijk van de manier waarop hij de tijd rekende. 's Nachts was hij geketend en wel voor Klaudius Haviks en zijn bondgenoten gesleept en hiernaar toe gebracht, waar het ochtend was. Dit moest dus wel de andere kant van de wereld zijn.
Hij had dringende behoefte aan voedsel en slaap. In een buidel van de waterzak had hij wat gedroogd vlees en hard reisbrood gevonden, en dat zou hij verorberen als hij er tijd voor had, maar voorlopig wilde hij alleen maar zo ver mogelijk bij de nomaden vandaan.
Hij bereikte een richel waar een smal pad overheen liep. Hij hees zich omhoog van de rotsen en keek om naar het kamp in de diepte. De tenten werden opgevouwen, en de stipjes die hij voor mensen en paarden hield, leken in gezapig tempo te bewegen. Niets wees erop dat de achtervolging werd ingezet. Kaspar nam even de tijd om op adem te komen en keek naar het pad.
Het was breder dan een wildspoor. Neerhurkend bekeek hij het beter. Iemand had de moeite genomen de aarde onder zijn voeten aan te stampen. Hij volgde het pad omhoog, weg van het gebied boven het kamp, en al gauw vond hij aan zijn rechterzijde een rotswand die sporen vertoonde van bewerking met gereedschap. De zon ging gedeeltelijk schuil achter de rotswand, en daarom ging hij er zitten om het brood en wat van het gedroogde vlees op te eten. Hij dronk ongeveer een derde van het water in de zak en rustte uit.
Naar het scheen had het stamhoofd zijn boodschap begrepen en was hij ontkomen. Er waaierden geen ruiters uit, er klauterden geen spoorzoekers door de heuvels onder hem. Hij werd niet achtervolgd.
De lucht was droog. Hij bepaalde zijn positie aan de hand van de opkomende zon. Het pad was vroeger een legerweg geweest maar werd al geruime tijd om een of andere reden niet meer gebruikt. Het omringende land was hardvochtig en ruig, dus er was weinig reden er aanspraak op te maken. Misschien had het pad dienst gedaan als heerbaan voor een natie die deze streek niet langer domineerde.
Het zou verstikkend heet worden, dus hij ging op zoek naar beschutting. Die was er niet. Hij besloot deze oude legerweg een poos te volgen, want die bood hem tenminste een goed uitzicht. Na een laatste slok water zette hij de dop weer op de waterzak. Hij had geen idee hoe lang het zou duren voordat hij die kon vullen.
De flarden van gesprekken die hij de vorige avond had opgevangen deden hem geloven dat water voor de tentbewoners een zorg vormde. Hij nam aan dat ze op weg gingen naar een vindplaats, en daarom besloot hij het pad in dezelfde richting te volgen.
Na een uur viel het hem op dat de afstand tussen hemzelf en de nomaden groter werd. Ze voerden hun paarden aan de teugels mee, maar zij liepen over vlak terrein, en hij moest zijn weg zoeken tussen de rotsblokken door. Bij tijden was het wegdek een tiental el vlak, tot het weer werd onderbroken door spleten, omgevallen stenen en gaten dankzij verschuivingen in de heuvels eronder. Eén keer moest hij een el of vijf klauteren om langs een ingestort stuk te komen.
Tegen de middag was hij uitgeput. Hij trok zijn hemd uit en bond het om zijn hoofd als rudimentaire bedekking. Vaag herinnerde hij zich dat hem vroeger eens was verteld dat het lichaam goed tegen zonnebrand kon zolang het hoofd maar bedekt was. Hij nam nog een slok water en kauwde op het gedroogde vlees. Dat was taai, met weinig vet, en erg zout. Hij weerstond de neiging meer te drinken, vastbesloten om zichzelf nog één slok toe te staan als hij het eten op had.
Het duurde even om het vlees weg te krijgen, maar toen dat was gelukt, nam hij een laatste, diepe teug. Hij ging zitten en nam zijn omgeving in ogenschouw.
Kaspar was een jager. Misschien niet zo'n goed jager als Klaudius Haviks, maar hij had genoeg verstand van de wildernis om te weten dat hij er niet best voorstond. Regenen deed het in dit ruige landschap zelden, want behalve die taaie bomen hier en daar was er geen spoor van begroeiing. Tussen de rotsen waarop hij zat, groeide geen gras, en toen hij een kei omrolde, zat er geen mos of korstmos aan de schaduwzijde. Het was hier bijna altijd droog.
Hij liet zijn ogen dwalen langs de richel die hij volgde en zag dat die naar het zuiden liep. In het oosten zag hij niets dan brokkelige vlakte, en in het westen lag de dorre vallei. Hij zou dit pad nog een eindje volgen en zijn ogen openhouden voor iets wat hem in leven kon houden. De nomaden trokken in zuidelijke richting, en als hij zich niet deerlijk vergiste, gingen ze uiteindelijk op weg naar water. En om in leven te blijven had hij water nodig.
Want dat was zijn voornaamste doel: in leven blijven. Kaspar had momenteel nog plannen te over: teruggaan naar Opardum, de heerschappij over Olasko opeisen en wraak nemen op zijn verraderlijke kapitein Quentin Havrevrulen en op Klaudius Haviks, die tot zijn hofhouding had behoord. Tijdens het lopen kwam er iets bij hem op. Die twee waren eigenlijk niet eens verraders, want hij had hen allebei laten opsluiten op het eiland dat niet voor niets het Fort van de Wanhoop heette, maar hoe het juridisch ook in elkaar stak, ze gingen er allebei aan.
Vermoedelijk moest hij daarvoor troepen verzamelen die nog trouw aan hem waren en daarmee de citadel op hen veroveren. Naar alle waarschijnlijkheid had Klaudius zijn zus Talia gedwongen met hem te trouwen om aanspraak op zijn troon te kunnen maken, en Havrevrulen voerde vrijwel zeker het bevel over het leger. Maar hij kon altijd mensen vinden die nog wisten wie de rechtmatige heerser over Olasko was, en die zou hij rijkelijk belonen als hij eenmaal weer de macht in handen had.
Zijn hersenen draaiden op volle toeren, en tijdens het lopen overwoog hij het ene na het andere plan, maar voordat het zo ver was moest hij eerst enkele niet onbeduidende hindernissen overwinnen, om te beginnen het feit dat hij zich aan de verkeerde kant van de wereld bevond. Hij moest dus een schip met bemanning zien te krijgen, en dat betekende goud. En om aan goud te komen moest hij een manier verzinnen om dat te verdienen of te stelen. En dat hield in dat hij de beschaving diende op te zoeken, of wat daar tenminste voor doorging op dit continent. En om dat te kunnen, moest hij in leven blijven.
Terwijl de zon zijn hoogste punt bereikte keek hij rond. Op dit moment was dat laatste niet erg waarschijnlijk. Waar hij ook keek, nergens zag hij iets bewegen, met uitzondering van een stofwolkje dat werd opgeworpen door de nomaden die hem gevangen hadden genomen.
Maar met stilstaan werkte hij alleen maar aan zijn eigen dood, dus hij zou verdergaan zolang hij daartoe nog de kracht had.
Hij liep door.