Het luisteren naar Pi was een ongewone gebeurtenis. Ik beluisterde het drie keer en steeds kwam het ongewone binnen. Het stuk roept veel op, het gaat buiten de door mij gekende paden, waar tijd en muziek een andere rol lijken te spelen. Het klokgeluid gaf mij een associatie met tijd; tegelijk beleefde ik de klok als een wachter, een grensbewaker-verzachter op. Hoe kan dat nou?
In het eerste stuk klinkt een hoog geluid, een herhalende oproep van fluit en marimba. Het komt van ver, het komt van boven. Dat schept verwachting. Het vraagt om evenwicht; waar landt het? Dan zet een brede, donkere ondertoon in, afgewisseld met stukjes symfonie, vaak hier en dan weer daar. Zet het zich door? Nee. Een reeks onzuivere tonen, die stil storen. Tegen de toon aan ook. Het voelt donker aan, alsof de lucht betrekt en er een grijs opdoemt. Welke kant gaat het op? Opnieuw een donkere ondertoon met percussie, en een brede dragende klank. Die is mooi, wij bevinden ons op de grond, jawel. De symfonie die het inmiddels lijkt te zijn, is een voorteken van een brede aankondiging van solo-instrumenten. Hoge fluit, marimba, ijl en zacht herhalend. Hoor ik in dit stuk al het thema?
Het tweede stuk bestaat uit vlechtwerkjes van muziek, zich herhalend. Het donker en het licht zijn samen, en daarna de hoge tonen ook samen. Eindtoon... De wals, wals. Lieflijk en rond, plukkende violen. Makkelijk in het gehoor liggend. Toch blijft het op de grond. Af en toe een 'valse' wals, wat de stijfheid oftewel de vorm wat relativeert.
Het derde stuk heeft veel blazers en fluit. Een raadsel voor mij, misschien wel bewust als raadsel, moet de boel door elkaar? Het geheel geeft wat onrust in mij. De schetterende eindtonen verlossen me en maken me weer wakker.
Herhalende inzet, weer oproepend. Dit vierde deel kondigt zich aan met wisselende hoogtes. Opnieuw hangt het hier en daar tegen de toon aan. Associatie met mensen die in een massa elkaar toeroepen, en niet altijd vriendelijk. Muziek die zelf luistert, komt door me heen. Voor het eerst klinkt de klok!
Het vijfde stuk bestaat uit lange, uitgeblazen tonen; dit begin doet oosters aan. Een toonbeleving ontstaat. Uitgestrektheid als verten in een landschap. De tonen lijken langs elkaar opgezet te zijn, waarbij het spannend wordt: verdragen zij elkaar? Het eindigt mooi hoog en sterft weg.
Zes begint hoog. Opnieuw de klok. Lange reeks reacties van instrumenten met hun tonen. Ook de kloktoon hoor ik. Blazersfestival barst los, en hoe! Weer de brede ondertoon, hoe heerlijk is dat... Langzaam verder met klokgeluiden, donker dreunend wegstervend.
In het zevende stuk wordt het thema breed ingezet; het is een toon die met mij meereist. Het lijkt wel de finale. Bevreemdend ook... gaat het naar de wals? Hoger, hoger, hoger, nee. Weer terug naar de blazers. Wat een contrast. Hoor ik daar voor de eerste keer een fagot? Bonte kermis-gevoel. Draaimolens en botsautootjes. Chaos en orde. Muziekflarden, fragmenten haast, alles zo veel. En dan... orkestraal dat breed uitzet. Violen. Het roept vragen op waarom er in dit stuk zo veel sferen huizen. Abrupt einde.
Acht begint met plukkende violen, heeft duidelijke relatie met nummer twee. Heldere melodielijn, klassiek bijna. De walsende wals.
Negen lijkt op het begin van PI. Als een slang die in zijn staart bijt. Toon zoekend, hoog gevonden. Vlechtwerk van melodie en toon. Blazers, en dan ja, de klok, steeds in drie. Eindklok. Oneindige klok. De paradox.
Muziek is de totale expressie van het geheel. Pi vertolkt dat.
Mei 2022,
George